OLIJF MET PEREN

Yad Vashem

Eretitel

Yad Vashem honouring

In English

De Plechtigheid

Elsa bevrijd uit Westerbork 1-04-1944

Smalle Marges

Advocatuur in de Tweede Wereldoorlog, Joggli Meihuizen

Yad Vashem Jaap van Proosdij

(1921-2011)

Yad Vashem A. de Froe

Pogingen om te ariseren

Bij Calmeyer

fragment

Volkskrant 28 april 2007

Yad Vashem onderscheiding postuum uitgereikt

Calmeyer

Het geval Calmeyer, boek.

Uit de pers

AT5-nieuws

Snoge Amsterdam

Portugese Synagoge

De arisering van mijn tante Els




28 april 2007, De Volkrant, Bijlage Het Betoog,
door Ulli d'Oliveira.

 

Er zijn situaties waarin een advocaat moet liegen en bedriegen.

Op 1 februari 1944 werd om half negen in de morgen mijn tante Els d’Oliveira door landwachters weggehaald, samen met haar vader Eli d’Oliveira en diens tweede vrouw, onze tante Loe. Zij waren die dag niet de enigen. Alle Portugese joden die op de zogenoemde Portugezenlijst van dr. Calmeyer stand hadden weten te houden, en die niet waren ondergedoken, werden die dag afgevoerd naar Westerbork.

Hans Calmeyer was een Wehrmachtofficier die bij de afdeling binnenlands bestuur onder Generalkommissar Seiss-Inquart speciaal belast was met de beoordeling van joodse of arische afstamming waarover men bij hem in beroep kon gaan. De lijst, die uitstel van deportatie bood, was na een kleine twee jaar ‘geplatzt’. Ik herinner mij dat mijn vader de dag tevoren lucht had gekregen van de catastrofe die ophanden was, en dat hij zijn vader nog heeft weten te waarschuwen. Deze heeft daar een fataal ongeloof aan gehecht: via Westerbork naar Theresienstadt afgevoerd, is hij na een van de laatste transporten in Auschwitz vergast.
Een herinnering aan hem van zijn vriend en strijdmakker Willem Drees uit 1946 is te vinden in een stenografen- tijdschrift uit die tijd: in het begin van hun loopbaan waren zij immers stenograaf geweest. Mijn tante Els, zijn dochter, de zuster van mijn vader, werd in Westerbork gered. Zij werd ten tweede male ‘gecalmeyerd’. Door de bemoeienis van mr. Nino Kotting.
Zodra deze jonge advocaat vernam dat Els naar Westerbork was afgevoerd, heeft hij alles in het werk gesteld om haar daaruit te bevrijden. Dat was buitengewoon moeilijk, omdat zij behoorde tot die speciale groep van Portugese Joden, waarover zo dadelijk meer. Deze hele groep was in Westerbork samengebracht om door de S.S. op hun uiterlijke jodendom beoordeeld te worden. De algemene indruk na een vernederende parade die S.S.Obersturmbannführer Aust daaraan in de loop van februari 1944 overhield en aan zijn hoogste chef Rauter rapporteerde was: ‘Rassisches Untermenschentum’. Dat betekende ‘Sondertransport’( d.w.z. niet per veewagen maar derde klas) naar Theresienstadt. Omdat inmiddels haar zaak weer op het bureau van Calmeyer beland was kon Els schorsing van deportatie krijgen en haar ouders en vijftien andere familieleden uitgeleide doen op het treinperron.
Intussen was koortsachtig gewerkt: Kotting had talrijke verklaringen verzameld uit de omgeving van de familie waaruit bleek dat Els geen kind van haar vader was, maar in overspel geteeld uit een geheime relatie met een niet-joodse man. Ook attesten over niet-matchende bloedgroepen, ondertekend door een hoogleraar. Alles gelogen en vervalst. Maar bovendien werd er nog een stoutmoedige extra zwendel aan toegevoegd.

Kotting, die als belangenbehartiger regelmatig op het kantoor van Calmeyer te vinden was met talrijke verzoekschriften, legde drie degelijk gemotiveerde dossiers aan Calmeyer ter tekening voor, en hield een al van een eigenhandig vervalste handtekening van Calmeyer voorzien ariseringsdossier voor mijn tante Els achter de hand. Na de bespreking deponeerde hij de vier dossiers bij het secretariaat met de mededeling dat de zaken in orde waren en verder konden worden verwerkt.
Dat betekende onder meer verwittiging van het bureau van de kampcommandant van Westerbork, Gemmeker. Deze werkte grondig en verifieerde bij Calmeyer of inderdaad Els als arische naar huis kon.
Hier kwamen twee levensreddende toevalligheden bij elkaar. Een: Calmeyer was juist met een lang telefoongesprek bezig toen het telefoontje uit Westerbork binnenkwam. Twee: de medewerker van Kotting, mr. Jaap van Proosdij, die half en half was uitgeleend aan Calmeyer en ook in dit complot zat, kon de tweede telefoon in dezelfde kamer opnemen en buiten gehoorsafstand uiterst kort bevestigen – ‘das stimmt’- dat Els d’Oliveira inderdaad vrij was het concentratiekamp te verlaten.

Voor Nino Kotting was mijn tante maar één geval uit de ongeveer zeshonderd mensen die hij redde, zij het wel een bijzonder geval. Zij was nog op 18 september 1942 ( vlak voor de aanvang van de universitaire cursus 1942-1943 waaruit joden geweerd waren) als laatste joodse gepromoveerd op een gynaecologisch proefschrift, dezelfde dag als waarop David Moffie promoveerde (bij prof. C.U.Ariens Kappers), die als laatste joodse promovendus in Amsterdam geboekstaafd is. Werkeloos geworden door ontslag als assistent in het Wilhelmina Gasthuis was de jonge doctor parttime gaan werken als hulp in de huishouding bij de jonge familie Kotting. Mevrouw Kotting-Menko was bezig met een dissertatie in de klassieke talen. Er was dus een speciale vriendschapsrelatie tussen de familie Kotting en Els, die nog versterkt werd doordat zij daar kennis kreeg aan Paul Rodrigues Pereira, de zoon van de buren, die haar man zou worden. Ook deze Portugezen moesten met hulp van Kotting geariseerd.

Geboren in 1911 was Kotting relatief laat gaan studeren. Enerzijds ontwikkelde hij na een niet helemaal afgemaakte MULO eerst zijn kunstzinnige talenten, anderzijds moest hij eerst het staatsexamen gymnasium afleggen om tot de universiteit te worden toegelaten. Toen dat eenmaal met succes was afgelegd rukte hij breed op door rechten en filosofie te gaan studeren; studies die hij in 1938 afsloot.
Bij het begin van de oorlog was hij werkzaam als advocaat op het kantoor van Krimpen, dat een aantal portugees-joodse clienten had, en waar de vers afgestudeerde mr. Jaap van Proosdij in 1942 zijn assistent zou worden.

Al vanaf de herfst van 1941 waren er demarches ondernomen om te bewerkstelligen dat de Sefardische joden niet als joden in de zin van de Duitse, in Nederland overgenomen rassenwetgeving zouden worden beschouwd. Initiator was de bekende als jood ontslagen rechter mr. de Beneditty, die niet alleen lid was van het Portugees-Joodse kerkbestuur, maar ook van de Joodse Raad. Daarbij werd het kantoor van Van Krimpen op velerlei manieren ingeschakeld: als plaats waar genealogisch onderzoek ten behoeve van de Portugese joden werd ondergebracht, als kantoor dat in samenwerking met de Portugees-joodse gemeente antropologen aanzocht om na onderzoek te verklaren dat deze geen joden zijn maar behoren tot het ‘mediterrane of alpinoide ras ‘, en om de daadwerkelijke zaken te behartigen bij de afdeling van de Duitse administratie die daartoe in het leven was geroepen: het bureau van de Innere Verwaltung dat onder leiding stond van dr. Hans Calmeyer.
Het antropologische onderzoek werd energiek verricht door dr. A. de Froe, de latere rector-magnificus van de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, toenmalig medewerker van de internationaal bekende ‘reiziger in breinen’ C.U. Ariëns Kappers. Het rapport was vergezeld van een boek met een verzameling foto’s die naar mijn herinnering gemaakt zijn door mijn vader, een beroepsfotograaf, en die de beoordeling van de geportretteerden als ’mediterraan’ ondersteunden. SS-Sturmbannführer Zopf bericht daarover na de genoemde schouw in Westerbork aan zijn baas Rauter dat daarmee weer eens gedemonstreerd was dat ‘Lichtbildaufnahmen von Köpfen ( in gunstiger Stellung und Beleuchtung) irreführend sein konnen’.
De leidende gedachte achter de Portugezenlijst was enerzijds dat deze groep zich in het Iberische schiereiland al in vroege tijden vermengd had met de plaatselijke bevolkingen, en anderzijds, na de migratie naar Nederland vanaf het eind van de zestiende eeuw, zich juist niet vermengd had met de plaatselijke bevolking of de oost-europese joden. Dit moest wel empirisch geverifieerd worden, en dat vergde veel arbeid en bedrog, waarin Kotting en de zijnen steeds gewiekster en stoutmoediger werden. Niettemin werd de lijst van ‘echte’ Portugese joden steeds kleiner, tot deze, verschrompeld tot 180, op 1 februari 1944 platzte, en nog 108 van hen werden afgevoerd; de rest was waarschijnlijk ondergedoken.
Kotting en zijn kantoorgenoten ( en andere advocaten) hielden zich niet alleen met de Portugese joden bezig, maar ook met alle andere joden. Zij organiseerden een gigantisch samenweefsel van verdichtselen, valsheid in geschrifte, valse stempels, valse papieren, valse inkten, valse archieven, valse getuigenissen, valse attesten. Dodelijk riskant.

Toen Kotting in 1959 zijn archief van afstammingszaken aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie overdroeg, met inbegrip van overtollige blanco-documenten als doopbewijzen, bloedgroepenkaarten van het Rode Kruis, aangiften van verlies van persoonsbewijzen, schreef hij: ‘Al deze modellen zijn vervalsingen en werden door mij gebruikt gedurende de Duitse bezetting om “bewijsmateriaal” te construeren ter onderbouwing van de verzoekschriften, die de registrering van personen betroffen, die zich als afstammelingen van joodse grootouders hadden aangemeld ( de zogenoemde Calmeyer-zaken).’

Wat kunnen de motieven zijn geweest van zo’n betrekkelijk jonge advocaat als Kotting om zijn nek zo ver uit te steken? Zeker, hij had een joodse vrouw, waardoor hij misschien meer dan een ander begaan kon zijn met het lot van de joden. Tegelijk maakte hij haar leven in dit gemengde huwelijk dat in beginsel aan vervolging ontsnapte er niet veiliger door.
Ik meen dat zijn rechtsfilosofische opvattingen een deel van het antwoord vormen. Al vroeg in zijn studietijd vinden we manifestaties van zijn diepe belangstelling voor de filosofie. Er is een handgeschreven briefje uit 1934 dat hij heet van de naald na een college van de beroemde filosoof Pos schreef over het door deze behandelde thema. Mogelijk heeft ook de houding van deze door hem bewonderde hoogleraar tegenover het opkomende nazisme – in de oorlog leidend tot diens deportatie naar Duitsland- hem gesterkt in zijn opvattingen over recht en onrecht. Zijn denken hierover mondden uiteindelijk uit in een dissertatie over ‘de materiële rechtsidee’ waarop hij in 1953 promoveerde. Daarin zocht hij naar een overtuigende manier om positief recht van een kritische instantie te voorzien. In een uiterst compact en abstract betoog kwam hij tot de stelling, dat recht, gegeven door de met gezag omklede instanties in een staat, hoezeer ook volgens de bestaande procedures geldig tot stand gebracht, niettemin niet gevolgd mocht of hoefde te worden, indien dit recht in de ogen van de gemeenschap waarvoor dit gegeven was materieel onrecht betekent. Dit is al het geval in overzichtelijke en vreedzame situaties, maar klemt des te meer in een bezettingstijd, zo lees ik dit boek, waarin vrijwel geen enkel voorbeeld voorkomt, maar dat het rechtspositivisme danig radicaal relativeert. Het is zijn richtsnoer geweest voor zijn professioneel gedrag tijdens de oorlog.

Daarmee wordt ook begrijpelijker een citaat uit de brief waarmee hij zijn overdracht van documenten aan het RIOD begeleidde: ‘ Centraal staat daarbij het vraagstuk of ethische overwegingen daar nog gelden waar een macht ( in dit geval de vervolger zelf) elke norm met voeten treedt.’ Deze zin is alleen begrijpelijk als de ‘ethische overwegingen’ waarop gedoeld wordt de professionele ethiek betreffen. De advocaat mag niet liegen, geen vervalsingen plegen, geen handtekeningen en stempels en documenten namaken, leugenachtige attesten en verklaringen organiseren en produceren enzovoort. Maar als de wederpartij alle normen uit het oog verliest, mag of moet de advocaat zijn professionele normen aan hogere normen aanpassen. Daar heeft de advocaat Kotting zich aan gehouden, op bewonderenswaardige wijze. Het is daarom dat hem postuum – hij overleed al in 1972- op 12 december 2006 in een kleine plechtigheid in de Portugese Synagoge in Amsterdam de Yad Vashem onderscheiding is uitgereikt. Zijn beide zoons waren daarbij aanwezig, evenals de drie kinderen van Els en Paul Rodrigues Pereira-Jessurun d’Oliveira die zich voor de onderscheiding hadden ingezet. Kottings inmiddels hoogbejaarde medewerker Jaap van Proosdij had de onderscheiding al eerder ontvangen en getuigde in een video-opname van zijn gegeneerdheid over deze volgorde. En ook de voormalige advocaat en evenwichtskunstenaar Hans Calmeyer, de tegenspeler aan wiens lot dat van beide Nederlandse confrères vastgespijkerd was, -zou Calmeyer ten prooi vallen aan de wantrouwige SS of aan de nog argwaniger Nederlandse NSB- sibbekundige ten Cate dan vielen ook zij – had al eerder, in 1992, de Yad Vashem onderscheiding ontvangen. Drie advocaten, drie rollen, drie ‘rechtvaardigen onder de volkeren’.

 

door
H.U.Jessurun d’Oliveira